• Contacteer ons

    Tel. 09 232 11 17 - Fax 09 232 57 84

10 mei 2019

Een nieuw Koninklijk Besluit !

Het KB van 22 april 2019 tot vaststelling van de buitengewone kosten die voortvloeien uit artikel 203, §1 van het Burgerlijk Wetboek en de wijze van tenuitvoerlegging ervan (BS 2 mei 2019, inwerking op 12/05/2019 )stelt duidelijk:

- welke onderhoudskosten voor kinderen buitengewone kosten zijn,

- welke kosten het voorwerp moeten zijn van een voorafgaand overleg en akkoord,

- hoe de kosten moeten worden afgerekend. 

Gewone en buitengewone kosten

Ouders hebben de verplichting overeenkomstig art. 203, §1 BW om naar evenredigheid van hun middelen te zorgen voor de huisvesting, het levensonderhoud, de gezondheid, het toezicht, de opvoeding, de opleiding en de ontplooiing van hun kinderen, tot aan de meerderjarigheid, of  als de opleiding bij meerderjarigheid nog niet voltooid is, tot dit wel het geval is.

Elke ouder moet bijdragen in deze kosten , in verhouding tot zijn respectieve aandeel in de samengevoegde middelen, zowel m.b;t. de gewone als de buitengewone kosten.

De gewone kosten zijn alle gebruikelijke kosten met betrekking tot het dagelijkse onderhoud van het kind (art. 203bis, §3, tweede lid BW). (voeding, huisvesting,nutsvoorzieningen..)

Onder buitengewone kosten wordt verstaan de uitzonderlijke, noodzakelijke of onvoorzienbare uitgaven die voortvloeien uit toevallige of ongewone gebeurtenissen en die het gebruikelijke budget voor het dagelijkse onderhoud van het kind dat desgevallend als basis diende voor de vaststelling van de onderhoudsbijdragen, overschrijden (art. 203bis, §3, derde lid BW).

Lijst buitengewone kosten

In de praktijk was er veel discussie over de buitengewone kosten.

Art. 125 van de wet van 21 december 2018 (BS 31 december 2018) voerde de verplichting in om een lijst met buitengewone kosten vast te stellen, alsook de wijze van afrekening van de kosten en te bepalen welke buitengewone kosten het voorwerp moeten zijn van een voorafgaand overleg en een uitdrukkelijk akkoord, behalve in geval van hoogdringendheid en overmacht. Bij gerechtelijke beslissing of overeenkomst kan worden afgeweken van de door de Koning vastgestelde buitengewone kosten en wijze van afrekening.

Hieronder treft ui het K.B. aan, maar hebt u vragen, contacteer ons kantoor !

-------------------------------------------------------------------------------------------------
Artikel 1. Behoudens andersluidende overeenkomst of rechterlijke beslissing, zijn de <buitengewone> <kosten>, bedoeld in artikel 203bis, § 3, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, beperkt tot de volgende kosten:
  1° de volgende medische en paramedische kosten:
  a) de behandelingen door artsen-specialisten en de medicaties, gespecialiseerde onderzoeken en verzorging die zij voorschrijven;
  b) de kosten van heelkundige ingrepen en van hospitalisatie en de specifieke behandelingen die eruit voortvloeien;
  c) de medische en paramedische kosten en hulpmiddelen waaronder orthodontie, logopedie, oftalmologie, psychiatrische of psychologische behandeling, kinesitherapie, revalidatie, prothesen en apparaten, met name de aankoop van een bril, een beugel, contactlenzen, orthopedische zolen en schoenen, hoorapparaten en een rolstoel;
  d) de jaarlijkse premie van een hospitalisatieverzekering of van een andere aanvullende verzekering die de ouders of één van hen moeten betalen. De premie moet betrekking hebben op de kinderen;
  en dit:
  - voor zover de kosten bedoeld onder a), b) en c) voorgeschreven zijn door een bevoegde arts of instantie; en
  - onder aftrek van de tussenkomst van het ziekenfonds, van een hospitalisatieverzekering of van een andere aanvullende verzekering.
  2° de volgende kosten betreffende de schoolse opleiding :
  a) meerdaagse schoolactiviteiten tijdens het schooljaar zoals ski-, zee- en bosklassen, school- en studiereizen en stages;
  b) noodzakelijk gespecialiseerd en kostelijk studiemateriaal en/of schoolkledij, aan speciale taken verbonden, die vermeld staan op een lijst die de onderwijsinstelling aflevert;
  c) het inschrijvingsgeld en de cursussen voor hogere studies en bijzondere opleidingen alsook niet gesubsidieerd onderwijs;
  d) de aankoop van informatica-apparatuur en printers met de softwareprogramma's die voor de studie noodzakelijk zijn;
  e) de bijlessen die het kind moet volgen om in zijn schooljaar te slagen;
  f) de kosten verbonden aan de huur van een studentenkamer;
  g) bijkomende specifieke kosten verbonden aan een buitenlands studieprogramma;
  na aftrek van eventuele school- en studietoelagen en andere studiebeurzen.
  3° de volgende kosten verbonden aan de ontwikkeling van de persoonlijkheid en ontplooiing van het kind, nl.:
  a) kosten voor kinderopvang voor kinderen van 0 tot en met 3 jaar;
  b) lidgeld, basisbenodigdheden en kosten voor kampen en stages in het kader van culturele, sportieve of artistieke activiteiten;
  c) inschrijvings- en examengeld voor de rijopleiding en de theoretische en praktische examens voor een rijbewijs voor zover dit niet kosteloos langs de school kan behaald worden maar via een rijschool moet gebeuren;
  4° Alle overige kosten die de ouders in een gezamenlijk akkoord als buitengewoon benoemen of die als zodanig door de rechter gekwalificeerd worden.

  Art. 2. Behalve in geval van hoogdringendheid of bewezen noodzakelijkheid, moeten al de in artikel 1 bedoelde kosten het voorwerp uitmaken van een voorafgaand overleg en akkoord, zowel wat de opportuniteit van de uitgave betreft als de hoogte ervan.

  Art. 3. § 1. Behoudens andersluidende overeenkomst of rechterlijke beslissing, dienen de <buitengewone> <kosten> :
  - driemaandelijks te worden afgerekend;
  - vergezeld te gaan van een kopie van de bewijsstukken door de ouder die de betaling vraagt; en
  - te worden betaald binnen de vijftien dagen na de mededeling van de afrekening vergezeld van de bewijsstukken.
  § 2. De ouder die de school- en studietoelagen en/of andere studiebeurzen, een tussenkomst van het ziekenfonds, hospitalisatieverzekering of een andere aanvullende verzekering ontvangt of geniet, bezorgt van zodra deze voorhanden zijn en minstens jaarlijks in de maand september een overzicht van alle ontvangen bedragen samen met een kopie van de bewijsstukken.

  Art. 4. De minister bevorgd voor Justicie is belast met de uitvoering van dit besluit.